zaad
onzijdig (het)/zat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- , (landbouw) bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
- (dierkunde) zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
Etymologie
* In de betekenis van ‘kiem, teelvocht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- op zwart zaad zitten
Vertalingen
Engelsseed, seed, sperm
Fransgraine, semence, sperme
DuitsSamen, Samen, Sperma
Spaanssimiente, semen, esperma
Italiaansseme, seme, sperma
Japans種子
Poolsnasiono, nasienie
Zweedsfrö
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek