zaad

onzijdig (het)/zat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw , (landbouw) bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
  2. dierkunde (dierkunde) zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier

Etymologie

* In de betekenis van ‘kiem, teelvocht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • op zwart zaad zitten

Vertalingen

Engelsseed, seed, sperm
Fransgraine, semence, sperme
DuitsSamen, Samen, Sperma
Spaanssimiente, semen, esperma
Italiaansseme, seme, sperma
Japans種子
Poolsnasiono, nasienie
Zweedsfrö