woudreus

mannelijk (de)/'wɑutrøs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zeer grote boom die in het bos staat
    Zes maanden geleden was het nog een enorm hoge woudreus, nu – ter vervanging van de oude - een spiksplinternieuwe visserskano. Eindbestemming: de kustwateren van dit natuurpark. „Reken op zeker twee dagen sleuren dwars door het bos”, kondigt onze gids Joseph aan. Vooralsnog zit het gevaarte muurvast in de struiken op de oevers, moeten er boompjes gekapt en een weg worden gebaand door het dichtbegroeide oerwoud.de Telegraaf FLEUR SCHIFFELERS 11 aug. 2015
    Nadat de woudreus geveld was door moeder natuur verdienden omwonenden veel geld aan het verkopen van stekjes en kastanjes van 'Anne's boom'via Marktplaats.nl en aan toeristen.Tubantia 10-01-17

Vertalingen

Engelsgiant of forest