worst
mannelijk/vrouwelijk (de)/wɔrst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaarMag ik een blikje worstjes openmaken?
Etymologie
* Ontwikkeld uit Middelnederlands "worst", waarschijnlijk ontleend aan Oudhoogduits "wurst" (mod. Duits "Wurst"), uitsluitend aangetroffen in het Duitse taalgebied en de aangrenzende taalgebieden (Nederlands, Nedersaksisch en Fries). In de betekenis van ‘met vleeswaar gevulde darm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.
Uitdrukkingen
- Iemand een worst voorhouden — Iemand iets prettigs of aangenaams in het vooruitzicht stellen, hem/haar beloven dat er iets fijns gaat gebeuren, met als doel die persoon tot iets aan te zetten.Hierbij wordt gedacht aan de baas van een hondenkar, die een worst aan een hengel voor de kar houdt om de honden in beweging te krijgen.
- Het zal me (jou/hem/haar enz.) worst wezen — Het kan me (jou/hem/haar enz.) niets schelen.Vermoedelijk een vertaling uit het Duits van es ist mir Wurst.
- En de worst van nonkel Jef is de lekkerste van het land — Vlaamse uitdrukking waarmee te kennen wordt gegeven dat iets wat daarvoor werd gezegd, onzin is
- Of je worst lust — Dooddoener als reactie op de vraag "Wat zei je?"
Vertalingen
Engelssausage
Franssaucisse
DuitsWurst
Spaansembutido, longaniza, salchicha
Italiaanssalsiccia
Portugeessalsicha
Russischколбаса́, соси́ска
Poolskiełbasa
Zweedskorv
Deenspølse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek