worp

mannelijk (de)/ˈwɔrᵊp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de handeling van het werpen van iets
    Die worp met de dobbelstenen bracht hem de winst in het spel.
    Ik keek aandachtig naar England terwijl hij in één worp zijn touw over een hoge tak slingerde.
  2. dierkunde (dierkunde) aantal jonge zoogdieren die tegelijk uit een moeder geboren worden
    De leeuwin had een worp van drie welpjes.

Etymologie

*In de betekenis van ‘het werpen’ voor het eerst aangetroffen in 1240, in de dierkundige betekenis in 1261.

Vertalingen

Engelsthrow, litter
Fransjet, lancement, portée
DuitsWurf, Wurf
Spaanslanzamiento, camada
Italiaanslancio, cucciolata
Portugeeslançamento, ninhada
Russischбросо́к, приплод
Zweedskast, kull
Deenskast, kuld