wond
mannelijk/vrouwelijk (de)/wɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) een beschadiging in of aan het lichaamDoor zijn val had hij een diepe wond in zijn been.Als ik soms tot wel twee weken achter elkaar in de wildernis zou moeten overleven, zou het goed zijn als ik wist hoe ik mijn eigen wonden moest dichtnaaien zoals Rambo.
werkwoord
- gewond
Etymologie
* In de betekenis van ‘kwetsuur’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- Een pleister op de wond — Iets troostends, iets wat het ervaren leed min of meer verzacht (maar anderzijds geen definitieve oplossing of uitweg biedt)
- De wonden likken — Proberen de opgelopen schade of verwondingen te herstellen
- zachte heelmeesters maken stinkende wonden — Een aanpak die te voorzichtig is maakt het probleem juist erger
- Zout in de wond strooien — Iets wat toch al vervelend is nog eens extra benadrukken of nog meer verergeren
Vertalingen
Engelswound, injury
Fransplaie
DuitsWunde
Spaansherida
Italiaansferita
Portugeesferida
Poolsrana
Zweedssår
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek