woensdag
mannelijk (de)/ˈwunzdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komtOp woensdag hebben leerlingen slechts een halve dag school.Op woensdag was ze er nog niet, maar Pamela en ik hadden het zo druk met de voorbereidingen voor de opening van de tentoonstelling dat ik geen tijd had om bij haar langs te gaan.
Etymologie
*van Middelnederlands "woensdach", in de betekenis van ‘vierde dag van de week’ aangetroffen vanaf 1260 (eponiem), op te vatten als een leenvertaling van Latijn "dies Mercurii" "dag van Mercurius", waarin Wodan gelijk werd gesteld aan Mercurius
Vertalingen
EngelsWednesday
Fransmercredi
DuitsMittwoch
Spaansmiércoles
Italiaansmercoledì
Portugeesquarta-feira
Russischсреда
Chinees星期三
Japans水曜日
Koreaans수요일
Arabischالاربعاء
Turksçarşamba
Poolsśroda
Zweedsonsdag
Deensonsdag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek