woekeraar

mannelijk (de)/ˈwukəˌrar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, juridisch, pejoratief (persoon) (juridisch) (pejoratief) iemand die geld uitleent tegen een hoge vergoeding
    Een woekeraar is iemand die geld uitleent aan een ander en daarvoor een abnormale, onredelijk hoge rente terugvraagt.
    Als woekeraar moest je bereid zijn mensen een pak slaag te geven als ze niet binnen twee dagen betaalden.
  2. persoon, figuurlijk (persoon) (figuurlijk) iemand die met zijn talenten woekert
    Ja, ik ben momenteel een echte woekeraar, zowel met mijn tijd als met de beschikbare ruimte in de boot.
  3. plant die snel groeit en zo geen ruimte laat voor andere begroeiing
    Vaak is een gekregen plant een onverbeterlijke woekeraar.

Etymologie

**[2] een verwijzing naar de parabel uit in Matteüs [https://www.statenvertaling.net/bijbel/matt/25.html#14 25:14-30]

Vertalingen

Engelsusurer
Fransusurier
DuitsWucherer, Halsabschneider, Kredithai
Spaansusurero
Italiaansusuraio
Zweedsockrare, penningutlånare
Deensågerkarl, pengeudlåner