witteke

onzijdig (het)/ˈwɪtəkə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. glas jenever
    Ik reken het mijn Vlaamse vrouw niet aan. Ze eet zo lief. Ham noemt ze hesp, een blinde vink een vogel zonder kop, haar cappuccino is bekroond met een dot slagroom, stoofkarbonade is bij haar rundvlees, een jenever noemt ze een witteke en je krijgt hem in een waterglas.
  2. glas witbier
    Het Belgische plaatsje Hoegaarden geniet vooral bekendheid omdat er al sinds halverwege de vijftiende eeuw bier wordt gebrouwen. Maar dat was niet de reden dat we deze week een werkbezoek brachten aan Hoegaarden, hoewel het alleszins weer was om een ‘witteke’ te nuttigen.
  3. koosnaam voor een persoon of dier met een witte kleur
    Hij telde zijn duiven, keek waar zijn wittepen mocht zijn, en zag ze zitten achter een kapotgeslagen nest.— Haha! zij leeft nog. Wat is hier omgegaan, witteke?

Etymologie

*; "wit" (en ) die vooral in het zuiden van het taalgebied als verkleinvorm gebruikt wordt