wisselen
/wɪsələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) veranderenHij moest van de leraar van plaats wisselen.
- (inerg) op een ander spoor overgaan van treinenDe trein moest snel wisselen.
- (ov) het een voor het ander nemen of gevenKunt u dit product voor mij wisselen?
- (ov) groot geld ruilen voor klein geld of geld ruilen voor andere valutaIk wil graag honderd euro wisselen. Kan dat hier?
- wisselen van woorden of gedachten: met elkaar praten; voeren van een gesprekZonder een woord te hebben gewisseld vertrokken we gezamenlijk richting de pas.Het was interessant om met Tats van gedachten te wisselen over alle nieuwe thru-hikes die de laatste paar jaren overal ter wereld waren ontstaan.
Etymologie
* In de betekenis van ‘ruilen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelschange, interchange, swap
Spaanscambiar, mudar, permutar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek