wisselen

/wɪsələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) veranderen
    Hij moest van de leraar van plaats wisselen.
  2. inerg (inerg) op een ander spoor overgaan van treinen
    De trein moest snel wisselen.
  3. ov (ov) het een voor het ander nemen of geven
    Kunt u dit product voor mij wisselen?
  4. ov (ov) groot geld ruilen voor klein geld of geld ruilen voor andere valuta
    Ik wil graag honderd euro wisselen. Kan dat hier?
  5. wisselen van woorden of gedachten: met elkaar praten; voeren van een gesprek
    Zonder een woord te hebben gewisseld vertrokken we gezamenlijk richting de pas.
    Het was interessant om met Tats van gedachten te wisselen over alle nieuwe thru-hikes die de laatste paar jaren overal ter wereld waren ontstaan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘ruilen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelschange, interchange, swap
Spaanscambiar, mudar, permutar