wiskunde

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wetenschap (wetenschap) de formele studie van patronen en structuren
    Alle soorten angst, voor wiskunde, ruimtelijk inzicht of angst in het algemeen, bleken een wezenlijk verband met genen te hebben. [http://www.nu.nl/gezondheid/4486422/angst-wiskunde-mogelijk-genetisch-bepaald.html www.nu.nl]
  2. schoolvak op de middelbare school betreffende rekenen, algebra en meetkunde
    Maar ik had iets wat Clark niet had. Ik was de beste van de klas in wiskunde en hij de slechtste, daarom was hij blijven zitten. Als hij dit schooljaar weer een onvoldoende kreeg voor wiskunde moest hij van school, je mocht maar één jaar blijven zitten.

Etymologie

* In de 17e eeuw door Simon Stevin gemunt als wisconst ("kunst van het gewisse of zekere"; zie ook wis)

Uitdrukkingen

  • Dat is geen hogere wiskundeDat is niet zo ingewikkeld of specialistisch, dat is voor de meesten goed te begrijpen

Vertalingen

Engelsmathematics, maths, math
Fransmathématiques
DuitsMathematik
Spaansmatemáticas
Italiaansmatematica
Portugeesmatemática
Russischматематика
Japans数学
Turksmatematik
Poolsmatematyka
Zweedsmatematik
Deensmatematik