wip
/wɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (f)/(m) een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rustDe kinderen vermaakten zich op de wip en de schommel van de speeltuin.
- (m) het wippenNa een enkele wip met zijn staart vloog de vogel op.
Etymologie
* Verkorting van "wipgalg", oorspronkelijk een martelinstrument. In de betekenis van ‘wipplank’ voor het eerst aangetroffen in 1813.
Uitdrukkingen
- op de wip zitten — ongedurig zijn, zijn ongeduld of onrust nauwelijks kunnen bedwingen
Vertalingen
Engelsseesaw
Franstapecul, tape-cul
DuitsWippe
Spaansbalancín, subibaja
Turkstahterevalli
Zweedsgungbräde
Deensvippe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek