wip

/wɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (f)/(m) een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
    De kinderen vermaakten zich op de wip en de schommel van de speeltuin.
  2. (m) het wippen
    Na een enkele wip met zijn staart vloog de vogel op.

Etymologie

* Verkorting van "wipgalg", oorspronkelijk een martelinstrument. In de betekenis van ‘wipplank’ voor het eerst aangetroffen in 1813.

Uitdrukkingen

  • op de wip zittenongedurig zijn, zijn ongeduld of onrust nauwelijks kunnen bedwingen

Vertalingen

Engelsseesaw
Franstapecul, tape-cul
DuitsWippe
Spaansbalancín, subibaja
Turkstahterevalli
Zweedsgungbräde
Deensvippe