wintersporter

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon , (persoon) beoefenaar van een typische wintersport zoals schaatsen, skiën of ijshockey
    Ole Einar Bjørndalen mag zich de beste wintersporter aller tijden noemen. De biatleet won woensdag met het Noorse team goud op het onderdeel gemengde estafette. Daarmee passeerde hij Bjørn Daehlie op de lijst van meest gedecoreerde winteratleten.
    Wüst schreef bovendien geschiedenis door als eerste Nederlandse wintersporter zeven olympische medailles te winnen. In Sotsji won ze goud op de 3.000 meter en zilver op de 1.000, 1.500 en 5.000 meter.

Etymologie

* afleiding van wintersport