winkeldeur

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deur waarmee klanten een winkel kunnen binnengaan
    Bij de winkeldeur moest ze wachten totdat hij die van het slot had gehaald, toen liep ze naar de bushalte, dezelfde waar Rensing senior drie weken eerder had gestaan, en wachtte op lijn 32.
    Hij haalde de winkeldeur van het slot en draaide het bordje van 'gesloten' naar 'open'.