winden
/ˈʋɪndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengenKan jij dat touw om die paal winden?
Etymologie
*van het Middelnederlands "winden", woorden als wenden en wandelen hebben een verwante herkomst
Uitdrukkingen
- Er geen doekjes om winden — er voor uit komen zonder er om heen te draaien / direct zijn, de al dan niet onprettige waarheid zeggen
- Iemand om zijn/haar vinger (kunnen) winden — alles van iemand gedaan kunnen krijgen of alles mogen
Vertalingen
Engelswind, roll, roll up
Fransenrouler
Duitswickeln, winden
Spaansbobinar, enrollar, envolver
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek