winch

mannelijk (de)/wɪntʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lier, windas
    Ze varen nu meestal in roeiersvletten: kleine, robuuste scheepjes waarmee ze de enorme scheepskabels van zeeschepen naar de wal trekken. Aan land trekken twee andere roeiers met de lier op hun ”winchwagen” (winch is Engels voor lier) de trossen vervolgens op, om ze om de bolders te leggen.

Etymologie

* uit het Engels

Vertalingen

Engelswinch