wilt

Betekenis

werkwoord
  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van willen
    Jij wilt.
    Het is nooit te laat om aan jezelf te werken en het blijft altijd een keuze of je knorrig of vrolijk door het leven wilt gaan.
    'Pak zoveel je wilt,' zegt ze, terwijl er wat kruimels in het rond vliegen.
  2. tweede persoon gij-vorm tegenwoordige tijd van willen
    Gij wilt.
  3. spreektaal (spreektaal) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van willen
    Hij wilt.
  4. verouderd (verouderd) gebiedende wijs meervoud van willen
    Wilt!