wezen

onzijdig (het)/ˈwezə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. copl, auxl, erga (copl) (auxl) (erga) alternatieve onbepaalde wijs van zijn.
    Hij zal gezegend wezen.
zelfstandig naamwoord
  1. bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier
    Zij was een wonderbaarlijk wezentje.
    Maar Maren zonder kleren is een totaal ander wezen.
    Mijn ogen schoten onzeker alle kanten op, speurend naar kleine bewegingen en donkerharige wezens.
  2. de aard van iets
    Dat is het wezen van de schilderkunst.
    `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.
    Heeft Maren enig idee van de vreselijke angst, de hoeveelheid bloed en de geluiden die er bij een bevalling komen kijken? Weet ze hoezeer haar lichaam zich zal verzetten? Maren lijkt vastbesloten het kindje haar geduchte wil op te leggen, alsof ze - net als het hermetisch afgesloten wezen in haar - immuun is voor lijden en de streken die de buitenwereld kan leveren.

Etymologie

* [2]: In de betekenis van ‘aard, natuur’ aangetroffen vanaf 1265

Uitdrukkingen

  • In wezenIn feite, eigenlijk
  • Laten we wel wezenLaten we er eerlijk over zijn, laten we realistisch zijn

Vertalingen

Engelsbeing, essence
Spaansser, esencia, naturaleza