werkloosheid
vrouwelijk (de)/wɛrkˈloshɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (formeel) geen baan hebben, betaald werk missenWaar moet ik mijn werkloosheid melden?"Armer dan Crooswijk kan je het niet treffen", was in 2016 een krantenkop toen het SCP postcode '3034' tot de armste wijk van Nederland uitriep. Dat bleek uit cijfers over de werkloosheid, het aantal uitkeringen, opgroeien in armoede, taalachterstand, gezondheid en (jeugd)criminaliteit.
- (economie) deel van de beroepsbevolking dat geen baan heeftseizoengecorrigeerde werkloosheidNou, en dan zou Libo in Borâs failliet gaan en dat zou tot werkloosheid leiden en de sossen waren rabiate tegenstanders van werkloosheid.
- (verouderd) niet actief zijn, niks doenHet meest dat my hindert, is een soort van werkloosheid door een duizelige dofheid.
Etymologie
*afgeleid van werkloos
Vertalingen
Engelsunemployment, unemployment
Franschômage, chômage
DuitsArbeitslosigkeit, Arbeitslosigkeit
Spaansdesempleo, paro, desempleo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek