welsprekendheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vermogen om als spreker overtuigend over te komen
    De welsprekendheid stroomde uit hem, hij had echt een buitengewoon goed humeur, was bijna euforisch.

Etymologie

*afgeleid van welsprekend

Vertalingen

Spaanselocuencia, oratoria