welsprekendheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vermogen om als spreker overtuigend over te komenDe welsprekendheid stroomde uit hem, hij had echt een buitengewoon goed humeur, was bijna euforisch.
Etymologie
*afgeleid van welsprekend
Vertalingen
Spaanselocuencia, oratoria
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek