weerstaan

/werˈstan/

Betekenis

werkwoord
  1. stand houden, weerstand bieden aan
    De oude boom verloor een paar takken, maar hij weerstond de storm opvallend goed.
    (Belgisch recht:) art 71 SWB: Er is geen misdrijf, wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinnigheid was of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan.
    Als het een avond in november was geweest, waren ze gewoon naar bed gegaan zodra de laatste gasten waren vertrokken. Maar deze witte juninachten waren, volgens Ingeborg, onmogelijk te weerstaan, hoe moe je ook was.

Vertalingen

Engelsresist, stand up to, withstand
Fransrésister
Duitswiderstehen
Spaansresistir, aguantar
Italiaansresistere