weekhartigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het al te teerhartig zijn; slapheid,
    We beschuldigen elkaar ondertussen van harteloosheid en weekhartigheid, van hypocrisie en van wegkijken. In de reacties onder zulke foto’s wordt openlijk aan de authenticiteit ervan getwijfeld, net zoals president Nixon de echtheid van het napalmmeisje betwistte. HP de Tijd LISA BOUYEURE 20 AUG 2016 [https://www.hpdetijd.nl/2016-08-20/we-steeds-meer-oorlogskinderen-nodig/ We hebben steeds meer oorlogskinderen nodig]
    Natuurlijk heeft Obama alle redelijke argumenten om die wapenwet erdoor te krijgen al gewisseld, maar versterken zijn tranen zijn argumenten? Nou, ik denk dat de mensen die willen dat die wapens vrij verkrijgbaar blijven, dat huilen eerder een teken van weekhartigheid vinden. Het Parool THEODOR HOLMAN 6 JANUARI 2016 [https://www.parool.nl/opinie/obama-s-tranen-duiden-op-gevoeligheid-niet-op-redelijkheid~a4219652/ Obama's tranen duiden op gevoeligheid, niet op redelijkheid]

Etymologie

* afleiding van weekhartig

Vertalingen

Engelstenderness