Watergang
mannelijk (de)/ˈwatərˌɣɑŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan wordenRivieren en beken zijn natuurlijke watergangen, en kanalen, tochten, weteringen, vaarten, grachten, waterleidingen, open leidingen, gangen, wijken, prielen, geulen, waterlopen, monden, sloten of greppels kunstmatige.
- (scheepvaart) elk van de twee holle zijwanden van een drijvend droogdok waarin water kan worden in- of uitgepomptMet de hefkraan op de watergang liet men de nieuwe motor in het scheepje zakken.
Vertalingen
Japanswaterway, 水路
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek