Wassen
/ˈwɑsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets met water of een andere vloeistof zuiverenHet afgefilterde neerslag werd met alcohol gewassen.Vermoedelijk waren de mooie vloerkleden ook gewassen met groene zeep omdat andere soorten zeep en wasmiddel op rantsoen waren."Het is dit jaar voor eerst dat we het effect zo duidelijk zien", zegt voorzitter Rachel Heijne van Kringloop Nederland. "We zien ook dat de kwaliteit van spullen gewoon echt slecht is. Het is kleding die na een paar keer wassen kapot gaat. Die kun je niet in de kringloop verkopen.
- (refl) zich ~; zichzelf met water schoonmakenHij waste zich met zeep.
- (erga) (aan)groeien, stijgen, voornamelijk i.v.m. de maan of een waterloopDe rivier wies door de plotselinge regenval.
- (ov) van een laag (bijen)was voorzienVoor hij de piste opging zorgde hij ervoor dat zijn ski's gewast werden.
- (ov), (kaartspel) schudden [3]
Etymologie
*van *waxsan, uit *u̯okso-, vgl. : wæx, : Wachs, voks en vaškas, воск.
Uitdrukkingen
- Als de ene hand de ander wast worden ze allebei schoon. — wanneer je samenwerkt en elkaar helpt, is hetgeen gebeuren moet sneller gedaan
- Dat wast al het water van de zee niet af. — iets is niet meer te veranderen/aan te passen
- Ergens geen kruid tegen gewassen zijn — ongeneeslijk zijn
- Goed in de slappe was zitten — veel geld hebben
- Het varkentje wassen — een klusje wel even doen
- iemand de oren wassen
- Iemand de oren wassen — iemand zeggen wat die fout gedaan heeft
- Uit de kluiten gewassen zijn — Erg stevig en groot zijn
Vertalingen
Engelswash, wash, grow
Franslaver, laver, croître
Duitswaschen, sich waschen, wachsen
Spaanslavar, lavar, crescer
Italiaanslavare, lavarsi, crescere
Poolsmyć się, rosnąć, przybrać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek