waskan

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kan waarin het water zit waarmee men zich kan wassen
    Ik herinner mij nog hoe zij, van de hoge trap van ons Amsterdamse bovenhuis, de houten vuilnisbak naar beneden droeg. Zij had dan een blauwe katoenen jurk aan met een groot helder wit gesteven verpleegstersschort. Zij droeg geen gepijpt tullen mutsje, zoals toen nog vrij gebruikelijk was en ik heb geen idee waar ze sliep. Daar kwam je niet en ik vrees dat dat maar goed was ook, want daar werd gewassen uit een waskom, die met een waskan met koud water werd gevuld. NRC Ina van der Beugel 30 januari 1993 [https://www.nrc.nl/nieuws/1993/01/30/zo-was-het-7171287-a153299 Zo was het]
    Je komt het pas te weten tijdens de schemering, in een dorp als Nibsai. Als de zon de zandheuvels rood kleurt en de pauwen en papegaaien zich terugtrekken. Dan gaan de volwassen vrouwen en mannen naar buiten, met een koperen waskan in de hand, om ergens in de kloven of op het open veld hun behoeften te doen. NRC Anil Ramdas 20 juli 2002 [https://www.nrc.nl/nieuws/2002/07/20/beschaafd-in-nibsai-7598926-a410736 Beschaafd in Nibsai]