washok

onzijdig (het)/ˈwɑshɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruimte in een gebouw of woning waar de was gedaan kan worden
    In de smalle gangen van de Cornelis Vrolijk H-171 klinkt gelach. Twee zeebonken roken samen een shaggie, aan de wand hangt een afbeelding van een vrolijke blote vrouw. Verderop zijn gezamenlijke doucheruimtes, een washok en een kombuis. Het is een wereld die voor een buitenstaander eenzaam kan lijken. Van der Plas schudt zijn hoofd: „Wij, de bemanningsleden, zijn familie van elkaar. Sommigen letterlijk, en sommigen omdat ze al twintig jaar met elkaar varen.” NRC Aukelien Weverling 15 juni 2016
  2. ruimte in een gebouw of een apart gebouw waar men zich kan wassen of de was kan doen
    Dinis Aveiro overleed in 2005 aan de gevolgen van zijn alcoholverslaving. Nu is Rui Alberto wat Dinis was bij de amateurclub CF Andorinha op Madeira: het manusje van alles. Terreinknecht, materiaalman. Hij bewaart de foto’s van de jonge Ronaldo in het washok op het clubterrein in Santo António, een dorp dat boven de hoofdstad Funchal tegen de bergen ligt. NRC Bart Hinke 11 januari 2014