wasbeer

mannelijk (de)/ˈwɑzber/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) klein Noord-Amerikaans zoogdier, , uit de familie van de kleine beren, met zwart-wit gezichtsmasker en goed ontwikkelde staart

Etymologie

* , omdat de beweging die ze met hun voedsel maken doet denken aan schoonwassen, in de betekenis van ‘kleine beer’ voor het eerst aangetroffen in 1857

Vertalingen

Engelsraccoon
Fransraton laveur
DuitsWaschbär
Spaansmapache, oso lavador
Italiaansprocione
Japans狸 - tanuki
Turksrakun
Poolsszop
Zweedstvättbjörn
Deensvaskebjørn