warmbloedigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het hebben van een constante lichaamstemperatuur
    De Vogels perfectioneerden eerst hun warmbloedigheid door hun schubben om te vormen tot warmte-isolerende veren. Hollands Maandblad. Jaargang 1988 (482-493)(1988) Th.J. de Jong [https://www.dbnl.org/tekst/_hol006198801_01/_hol006198801_01_0058.php D. Hillenius: verwondering èn dogma ]
  2. bij mensen: de heftigheid van de emoties die men heeft
  3. soort ziekte met koorts bij schapen
    Te Sint-Jan bij Ieper bijvoorbeeld, mengde men gemalen leisteen (ardoise) met azijn en gaf het de schapen tweemaal daags te drinken. De meest voorkomende plagen waren ‘bleynen’, koud- en warmbloedigheid en ziekten aan de hoeven. Biekorf. Jaargang 56(1955) [https://www.dbnl.org/tekst/_bie001195501_01/_bie001195501_01_0074.php De Westvlaamse schapenteelt in 1811]

Etymologie

* afleiding van warmbloedig