wanspraak
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- taal vol met foutenWanspraak in een tongval noem ik iedere, den gezonden aanleg en gaven staat der woorden miskennende en verminkende hebbelijkheid; geen verkorting dus, maar afbijting; geen klankwijziging maar klankbederf. 1863)– [tijdschrift] Taalgids, De [https://www.dbnl.org/tekst/_taa001taal05_01/_taa001taal05_01_0020.php Den Heere L.A. te Winkel.]Bilderdijk - die als taalvorscher niet hoog staat aangeschreven, maar wien niemand een fijn taalgevoel kan ontzeggen - vaart in het Eerste Onderhoud uit Perzius hekeldichten heftig uit tegen de wanspraak zijner tijdgenooten: ‘En welk een uitdruk’, klaagt hij, ‘Geef vergeving mij van 't leed, - 'k Heb moeilijk dat gedaan.’ (1882)– [tijdschrift] Noord en Zuid Constantinus Bake [https://www.dbnl.org/tekst/_noo001188201_01/_noo001188201_01_0063.php Leekegedachten over het hedendaagsche taalgebruik.]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek