wanboffer
mannelijk (de)/ˈwɑmbɔfər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die pech heeft"(…) Je hoort het wel bijtijds aan 't kraken van de trap." Ik ga voor alle zekerheid maar vast staan; ik ben nogal een wanboffer, en die trap kon nou wel'es net niét kraken…
Etymologie
*afgeleid van "wanboffen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek