waarheid

vrouwelijk (de)/ˈwarhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dat wat een waar feit is
    Ook kwam hij terug op de favorietenrol die hem vanaf het begin werd toegedicht. ,,Ik heb die voorspellingen nooit beschouwd als waarheden. Het waren voorspellingen, meer niet. Tubantia Stefan Raatgever 19 mei. 2019 [https://www.tubantia.nl/dossier-duncan-wint-songfestival/duncan-doet-waar-nederland-na-44-jaar-naar-smachtte~afc527e7/ Duncan doet waar Nederland na 44 jaar naar smachtte]
    Naast het feit dat er zeker een kern van waarheid in hun reactie zat, verbaasde ik me vooral over de felle toon van hun afkeuring.
    'Ik heb niet gelogen, verdomme. Ik heb je alleen niet de hele waarheid verteld.'
  2. dat wat als waar wordt beschouwd door een persoon of groep

Etymologie

*Afgeleid van waar .

Uitdrukkingen

  • de waarheid in pacht hebbendenken dat men de hele waarheid kent
  • De harde / naakte / onverbloemde / onverholen / onversneden waarheidDe (confronterende) waarheid zoals die is
  • Een waarheid als een koeIets dat onomstotelijk waar is
  • Het uur van de waarheidHet beslissende moment
  • Ongezouten de waarheid zeggenPrecies zeggen waar het op staat, rechtstreeks de waarheid vertellen
  • Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.Zelfs de best bedachte leugens zullen uiteindelijk worden weerlegd
  • De waarheid ligt [ergens] in het midden.De waarheid bevat onderdelen van meerdere ogenschijnlijk met elkaar in tegenspraak zijnde stellingen
  • In [een] oorlog sneuvelt de waarheid als eerste.Tijdens een oorlog wordt heel veel onjuiste informatie verspreid

Vertalingen

Engelstruth
Fransvérité
DuitsWahrheit
Spaansverdad
Russischправда
Japans真理, しんり, shinri
Poolsprawda