waar
mannelijk/vrouwelijk (de)/war/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- koopwaar, te verhandelen goederen'Koop Nederlandse waar, dan helpen we elkaar'[https://www.volkskrant.nl/economie/eigen-spullen-eerst-begint-vandaag-het-einde-van-de-globalisering~b774f913/ www.volkskrant.nl (4 nov 2024)]
- aandeel in een onverdeeld landbouwbedrijf
- voorzichtigheid, aandacht, hoede (-> waarschuwen)
voegwoord
- geeft een gelijktijdigheid en gedeeltelijke tegenspraak aanWaar Nederland zich zorgen maakt over Sint-Maarten, rekent het eiland op zijn nieuwe status.
Etymologie
:Oost: : hwar
Uitdrukkingen
- Alle waar is naar zijn geld. — Als een product duurder is, is het meestal van betere kwaliteit
- Goede waar prijst zichzelf. — Voor goede producten hoeft geen reclame gemaakt te worden: door eigen ervaring en die van anderen gaan mensen ze vanzelf kopen.
- veel waar voor weinig geld — met heel aantrekkelijke eigenschappen, gelet op de lage prijs
- De ware jakob
- Niets is minder waar
- Waar een wil is is een weg. — als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel
- Waar gehakt wordt, vallen spaanders. — als je iets wil bereiken, moet je offers brengen ofwel: waar mensen werken worden fouten gemaakt, zonder daaraan te ontkomen
- Waar het hart vol van is, loopt/vloeit de mond van over. — over dingen die iemand bezig houdt praat men erg graag ofwel: wat je belangrijk vindt of waar je veel aan denkt, daar praat je ook veel over
Vertalingen
Engelsmerchandise, goods, ware
Fransvrai, vraie, où
DuitsGut, wahr, wo
Spaansmercancía, mercadería, cierto
Italiaansvero, dove
Portugeesonde
Russischгде
Chinees哪里
Japansどこ
Koreaans어디에
Arabischأين
Poolsgdzie
Zweedsvar
Deenshvor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek