waaien
/ˈwajə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (onpr) (meteorologie) het plaatsvinden van een sterke luchtstroming ten gevolge van drukverschillen in de atmosfeerHet waait veel te hard om te gaan fietsen.Doordat de wind steeds harder begon te waaien, stak ik om de paar minuten mijn hoofd uit mijn tent om te zien of de wolken groter werden of juist niet.
- (absol) (meteorologie) een sterke luchtstroming veroorzakenDe storm waaide twee dagen lang.Er woei een ijskoude wind en Sint trok zijn warme rode mantel dicht om zich heen.De noordroute is ook prima te doen in de hete zomermaanden omdat er altijd een frisse zeewind waait.
- (ov) door een sterke luchtstroming verplaatsenDe aanhoudende westenwind woei alle bladeren tegen de heg.
Etymologie
*van Middelnederlands "waien": een klasse 7 ww o.v.t. wieu, in reduplicerend: waiwo van een wortel *we met gelijke betekenis. In de betekenis van ‘blazen (van wind)’ voor het eerst aangetroffen in 1100 Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892
Uitdrukkingen
- De wind waait uit een andere ( of een verkeerde) hoek
- Met alle winden waaien — door alles en iedereen laten beïnvloeden
- Zoals de wind waait, waait zijn jasje — hij gaat met de heersende mening mee of verandert telkens van mening afhankelijk van de mensen om zich heen
Vertalingen
Engelsblow
Franssouffler
Duitsblasen, wehen
Spaanssoplar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek