vuur

onzijdig (het)/vyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) het geheel van de licht- en warmteverschijnselen die zich voordoen wanneer iets verbrandt, d.w.z. een oxidatiereactie ondergaat
    De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen.
    En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.
    Er cirkelden een heleboel vliegen om de paarden heen dus ik zette mijn tent vijftig meter van het vuur op.
  2. figuurlijk, militair (figuurlijk), (militair) beschieting met vuurwapens
    Halverwege de oorlog deserteerden er iedere maand meer dan vijfduizend soldaten; sommige bleven gewoon ergens hangen tijdens de oneindig lange marsroutes, andere vluchtten zodra het vuur werd geopend. In mei 1864 — de maand waarin generaal Grant zijn opmars naar het zuiden begon en de maand van de Wildernis — waren er niet minder dan 5371 federale soldaten die het hazenpad kozen. Meer dan 170 verlieten iedere dag het strijdtoneel — zowel dienstplichtigen als vrijwilligers, ontmoedigd of vol heimwee, gedeprimeerd, verveeld, gedesillusioneerd, onbetaald of gewoonweg bang.{{Aut|Winchester, Simon
    Zo kwam de stad onder vuur te liggen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) enthousiasme, bezieldheid, hartstocht, passie
    Hij verdedigde zijn ideeën vol vuur.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands vuur, vier, uit Oudnederlands fūir, ontwikkeld uit Oergermaans *fōr (genitief *funiz), bij Indo-Europees *péh₂ur̥ (gen. ph₂un-ós), een r/n-stam waartoe ook Tochaars A por̄, B pūwar, Umbrisch pir, Oudgrieks pûr (πῦρ), Armeens hur ‘fakkel’, Tsjechisch vero. pýř ‘gloeiende as’ en Hittitisch paḫḫur (gen. paḫḫuenaš) behoren. Evenals Nederduits Füür, Duits Feuer en Fries fjoer.

Uitdrukkingen

  • De kastanjes voor iemand uit het vuur halenIemand anders het gevaarlijke werk laten doen
  • Die het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best.als je ergens vlak bij bent ,heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is
  • Een ijzer in het vuur hebbeneen plan hebben dat nog onbekend is voor de buitenwereld
  • Ergens/er de hand voor in het vuur [durven] stekenheel erg zeker weten dat iets zo is, iets overtuigend garanderen
  • Geen rook zonder vuur.bij iedere gebeurtenis hoort een oorzaak. Van de meeste geruchten is er altijd wel iets waar
  • Iemand het vuur na aan de schenen leggenstreng ondervragen
  • In vuur en vlam staanhevig branden ofwel: gauw kwaad zijn of erg driftig zijn
  • Met vuur spelenmet gevaarlijke dingen laks omgaan, gevaarlijke dingen doen

Vertalingen

Engelsfire
Fransfeu
DuitsFeuer
Spaansfuego
Italiaansfuoco
Portugeesfogo
Russischгорение, огонь, пламя
Chinees
Japans火, ひ, hi
Koreaans
Arabischنَارٌ
Turksateş
Poolsogień
Zweedseld, brand
Deensild