vuiligheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dat wat vuil is
    Wat een vuiligheid was er in dat huis!
  2. poep.
    Kun jij die vuiligheid even verwijderen?
  3. een vuile, gemene uiting
    Waarom zegt die man zoveel vuiligheden over mensen?
  4. een gemene streek

Etymologie

*Afgeleid van vuil en .

Vertalingen

Engelsdirt, filth, dirt
Franssaleté, excréments, obscénités
DuitsSchmutz, Schmutz, Schweinerei
Spaanssuciedad, suciedad, obscenidad