vrucht

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
    De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt.
  2. ongeboren jong van een dier of mens
    De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk.
    Ik wilde dat kind terug, de vrucht van mijn schoot, onveranderd, precies zoals hij was, die unieke Frans-Engelse combinatie, die mengeling van Andrew en mij: het langgerekte gezicht van Andrew, zijn blauwe ogen, en mijn wenkbrauwen, mijn kin.
  3. voortbrengsel
    En nu, op de drempel van de volwassenheid, werd ze uitgelachen omdat ze een vrucht aan een Spaanse boom was.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ooft, ongeboren jong’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • aan de vruchten (her)kent men de boom
  • hoe iemand is kan men zien aan hoe hij zich gedraagt
  • ook de beste boom geeft slechte vruchten
  • ook de beste ouders kunnen kinderen hebben die het slechte pad opgaan
  • op dezelfde stam groeien verschillende vruchten
  • kinderen met dezelfde ouders kunnen toch veel van elkaar verschillen
  • verboden vruchten zijn de zoetste
  • verboden dingen zijn vaak het aantrekkelijkst

Vertalingen

Engelsfruit, foetus
Fransfruit, fœtus
DuitsFrucht
Spaansfruto
Portugeesfruto
Russischфрукт
Turksmeyve
Poolsowoc
Zweedsfrukt