vrezen

/ˈvrezə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bang zijn, angst hebben
    Er wordt gevreesd dat het broeikaseffect ernstige gevolgen gaat hebben.
    Ik kreeg het er benauwd van doordat ik vreesde dat de lijn er op elk moment weer mee kon stoppen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bang zijn voor’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelsfear
Franscraindre, redouter
Duitsfürchten
Spaanstemer
Italiaanstemere
Portugeestemer, recear
Deensfrygte