vrees

vrouwelijk (de)/vres/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel (formeel) het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
    Het was na al deze jaren nog steeds een gunst om hier alleen met haar te zitten, zo lang nadat hij in zijn jeugd heen en weer geworpen was tussen hoop en vrees. Niets had erop gewezen dat het mogelijk zou zijn.

Etymologie

* In de betekenis van ‘angst’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsfear
Spaansmiedo, temor
Italiaanspaura