voucher
mannelijk (de)/ˈvɑutʃər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tegoedbon waarmee men iets kan verkrijgen, soms in plaats van het geld dat men voor een dienst had betaaldToen de vrouw besloot om het voorval aan de klantendienst van Just Eat te melden, kreeg ze een opmerkelijk advies. “Schrijf even een negatieve review over de bezorger”, was het voorstel van een medewerker. Daarna kreeg ze een voucher van vijf euro aangeboden. Toen Michelle hen aangaf dat het veel meer was dan gewoon een ’ongemak’, kreeg ze een nieuw aanbod: “We doen het normaal niet, maar voor één keer kunnen we je tien euro geven.” Met dat tientje kon Michelle amper een pizza bestellen.de Telegraaf 17 jan. 2018De personeelsleden krijgen ook allemaal een kerstkaart van de koningin en prins Philip. Wie al lange tijd in dienst is, krijgt daarnaast ook vouchers.de Telegraaf 15 dec. 2017Amira El Biad uit groep 8 van basisschool De Zuidsprong kreeg van wethouder Eelco Eerenberg gisteren de 200ste voucher voor huiswerkbegeleiding.Tubantia 20-JANUARI-2018
Etymologie
*van """, in de betekenis van ‘tegoedbon’ aangetroffen vanaf 1929
Vertalingen
Engelsvoucher, receipt, educational voucher
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek