vormen

Betekenis

werkwoord
  1. in de juiste vorm brengen
    Ik wil eerst rondkijken en mezelf een mening vormen.
    Weet je wat het is? Eerst moet je je hele leven om die herriemakers heen vormen en als je niet anders weet dan dat alles om hen draait, gaan ze bij je weg.
  2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
    Vanille-ijs en aardbeien vormden het toetje.
    Insecten vormen de grootste groep dieren op aarde.
  3. maken, veroorzaken
    Extremisten vormen een ernstige bedreiging voor onze samenlevening.
    Het vormt een te groot risico.
    Deze extreme hitte vormde een reëel gevaar.
  4. ontstaan
    Er vormden zich wat onverwachte stellen aan de bar en een van de jongens ging er met de barvrouw vandoor.
  5. opvoeden, onderwijzen

Etymologie

*afgeleid van vorm ??

Vertalingen

Engelsform, shape, form
Fransformer, former
Duitsbilden, formen, ausmachen
Spaansconfigurar, formar, conformar