vormeling

mannelijk (de)/ˈvɔrməˌlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (christendom) iemand die het vormsel ontvangt
    Omdat in meerdere bisdommen, vooral aan Waalse zijde, de cijfers van de volwassen vormelingen nog niet bekend waren, ligt het reële aantal zeker hoger en gaat het wellicht richting honderd, aldus Tertio, dat woensdag uitpakt met het cijfermateriaal. De Standaard 3 april 2012 {{Aut|kidr
  2. stuk klei dat de vorm heeft van een baksteen waarvan bakstenen worden gemaakt
    Voordat de ‘vormelingen’ de oven ingaan, moeten ze nog flink wat vocht verliezen, zodat ze tijdens het bakken niet barsten. Na een verblijf van anderhalve dag tot twee dagen in droogkamers of droogtunnels treedt een droogkrimp op tot 10 %. Een gedroogde vormeling wordt een ‘groene steen’ genoemd. Pas na het bakken spreekt men van ‘baksteen’. De Standaard 29 februari 2012 {{Aut|jnwr

Etymologie

* afleiding van vormen

Vertalingen

Engelsconfirmandus