voren
mannelijk (de)/ˈvorə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) benaming voor sommige zoetwatervissen uit het geslacht met rode vinnen, vooral gebruikt voor de blankvoorn en de rietvoornHij ving alleen maar een paar vorentjes.
Etymologie
Vandaag verschijnt op Videoland een documentaire over TMF. Daarin komt ook de schaduwkant van het succes naar voren. Verschillende vj's van toen zeggen dat ze een burn-out kregen van de lange werkweken die ze moesten maken.
Uitdrukkingen
- van achteren lyceum, van voren museum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek