voorzomers

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. betrekking hebbend op de tijd vlak voor de zomer
    Als we met drieduizend of meer waren, zoals op deze voorzomerse dag, deelde de politie de burgerlijke pers mee dat we met tweeduizend waren, wat de journalisten naar beneden toe afrondden zodat drieduizend mensen op straat er een paar honderd in de kolommen werden.