voorzeggen
/ˈvorzɛɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- stiekem iemand vertellen wat het antwoord op een vraag is die aan die persoon gesteld isTieners, zegt Majerska, vinden het prachtig om een taal te spreken die hun ouders niet verstaan. „Bovendien is het handig bij voorzeggen op school.” Król: „En bij het voetballen gebruiken ze de taal om zich onverstaanbaar te houden voor de tegenstanders.” NRC Roeland Termote Pieter van Os 25 maart 2016In haar boek beschrijft Jensen haar passie voor 'sympathieke bedriegers', zoals de Engelse quiz-deelnemer die zich met kuchjes in morsecode-stijl de goede antwoorden liet voorzeggen. En uiteraard haar favoriete leugenaar, meestervervalser Geert Jan Jansen. 'Zijn verhaal is zo mooi, dat is bijna fictie.' NRC Arjen Ribbens 14 april 2006
werkwoord
- voorspellen, aankondigen, aanzeggen, prediceren, profeterenHet verschil is alleen dat die „vervangende godsdiensten” het heil hier op aarde beloven, terwijl de echte godsdiensten dit in het hiernamaals voorzeggen. Dat is waarschijnlijk de reden waarom zij een taaier leven hebben dan de eerste, die op hun succes of falen – meestal falen – afgerekend kunnen worden. NRC J.L. Heldring 8 juni 2006
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek