voorraad
mannelijk (de)/ˈvorat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wat voor later gebruik wordt opgeslagenHij had genoeg voorraad om de winter door te komen.Ik herken de winkel waar Lot eerder een nieuwe voorraad mueslirepen kocht.
Etymologie
*Uit het Duits of samenstelling van voor en raad (voorzorg)
Vertalingen
Engelsstock, supply
Fransapprovisionnement, provision, réserve
DuitsVorrat
Spaansexistencias, expediente, provisión
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek