voorlijk
onzijdig (het)/ˈvorlɛɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) de lijn (lijkentouw) die ter versteviging aan de voorkant van een zeil vastgemaakt is op een zeilschipHet voorlijk van de fok wordt met leuvers aan de voorstag bevestigd.
Etymologie
*bijvoeglijk naamwoord, bijwoord: afleiding van voor (bijwoord)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek