vooringang

mannelijk (de)/ˈvorɪŋɣɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plaats waar men naar binnen kan gaan aan de voorkant van een gebouw
    Hij merkte dat ze niet bij de vooringang waren stilgehouden, maar aan de achterkant van het huis.
    De receptie en publieksbalie in het gemeentehuis in Losser is vanaf volgende week maandag 2 oktober weer ter bereiken aan de vooringang van het gebouw.