voorganger

mannelijk (de)/ˈvorɣɑŋər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
    Zijn voorganger had alle documentatie netjes achtergelaten.
    Nobelen uit vorige eeuwen hadden het eiland volgebouwd met hun pronkpalazzi en de kieren die toevallig ontstonden tussen de wereldwonderen in, moesten maar als straat dienen. Wie zich wil verplaatsen in Venetië moet voortdurend om het exhibitionistische vertoon van liefde voor de stad van zijn voorgangers in deze stad heen lopen.
    Naast opvoeringen door paarden was er ook muziek van Andrew Lloyd Webber en mezzosopraan Katherine Jenkins. Hoogtepunten uit het Britse verleden kwamen voorbij onder het motto 'In galop door de geschiedenis', waarvoor actrice Helen Mirren zich verkleedde als voorganger en naamgenoot van de huidige koningin, Elizabeth I.
  2. religie (religie) dienstdoende predikant in een kerkdienst
    De voorganger hield een betoog over vertrouwen.

Etymologie

*Samenstellende afleiding van voor en gang

Vertalingen

Engelspredecessor
Fransprédécesseur
DuitsVorgänger, Prediger
Spaansantecesor, predecesor, oficiante