voltrekken
/vɔl'trɛkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) ten uitvoer brengenHet vonnis werd hedenmorgen voltrokken.
- (refl) zich ~: gebeurenEr voltrok zich een ramp.Het is stil in Roombeek. Touwen tingen tegen de vlaggenmast waar de driekleur halfstok hangt. In de verte het gejoel van spelende kinderen. Zo’n 70 mensen herdenken vrijdagmiddag 13 mei de ramp die zich 22 jaar eerder voltrok in de Enschedese wijk. Zij staan bij de plek waar de gewraakte vuurwerkcontainers een krater achterlieten. Een gat in de stad.
Etymologie
* In de betekenis van ‘volvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1368
Vertalingen
Engelscarry out, execute, accomplish
Fransexécuter, effectuer, accomplir
Spaanscumplir, ejecutar, consumar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek