volmaking

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het compleet maken van iets
  2. het voltooien van iets
    Zou de rechtzinnige en Bijbelvaste Willem Backer bij het lezen van Lukas 14:28 tot 30 weleens met zorg hebben gedacht aan zijn project? Jezus’ woorden lijken er naadloos op van toepassing: „Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is? Reformatorisch Dagblad Rudy Ligtenberg 11-11-2017 [https://www.rd.nl/boeken/de-toren-die-de-nieuwe-kerk-in-amsterdam-nooit-heeft-gehad-1.1444329 De toren die de Nieuwe Kerk in Amsterdam nooit heeft gehad]

Etymologie

* afleiding van volmaken