volk

onzijdig (het)/ˈvɔlᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    Maar door Andrew leerde ik dat merkwaardige volk kennen.
  2. de inwoners van een land
    Fysieke ontplooiing en ontwikkeling was een doorslaggevend onderdeel van een doordacht programma van nationale vorming (Bildung), evenzeer als de bestudering van wat als nationale geschiedenis van het Duitse volk werd beschouwd in de negentiende eeuw.
    Het Franse volk steunt zijn president.
    Wandelend door de vele kleine bergdorpjes langs de trail heb ik het Amerikaanse volk leren kennen als vriendelijk, respectvol en opvallend gastvrij.
  3. de lagere klassen
    Niet wanneer hij met zijn gedachten bij het volk was.
    `Zwarte Piet' of 'Pietje Pik', zo noemde het volk in de middeleeuwen de duivel.
  4. een aantal mensen
  5. een groep insecten die in hetzelfde nest wonen

Etymologie

* In de betekenis van ‘stam, bewoners van een staat’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • Hoe later op de avond hoe schoner volk

Vertalingen

Engelspeople, people, people
Franspeuple, gens
DuitsVolk, Volk, Leute
Spaanspueblo, gente, enjambre
Italiaanspopolo, popolo, gente
Portugeespovo, povo, pessoa
Russischнарод, нация, народ
Poolslud, naród
Zweedsfolk, folk, folkslag